Dat eerste agendapunt als ‘vrouw-alleen’ heb ik nog niet uitgevoerd. Hààr (zijn nieuwe mens) iets aandoen, is complexer dan je denkt. Je hoopt (wenst, eis) nog te veel dat het weer goed komt. En als je dan al te zeer hebt uitgehaald naar die nieuwe, verkleinen de kansen dat je geliefde je weer in zijn hart sluit. Hij is immers nog in een stadium van blinde verliefdheid. Hij dobbert nog kritiekloos op de verse liefde. Hij vergelijkt hààr voortdurend met jou en daar kom natuurlijk bekaaid vanaf. Zij scoort op alle vlakken beter, als je hem mag geloven.
Het gekke (of tragische) is, dàt je dit ook nog gaat geloven. Plots lijk je in je eigen ogen die bitch die hij pretendeert die jij bent. En misschien heb je wel te weinig aandacht gehad voor zijn interesses, en misschien ben je soms wel met vriendinnen op stap geweest in de plaats van thuis voor hem de boel gezellig bij elkaar te poetsen en te koken, en misschien had je meer je bewondering voor hem moeten luidop uitspreken. Allemaal dingen die zij blijkbaar wel doet en dan nog met de nodige portie lieftalligheid. Je bent zwaar in de fout gegaan. Je verdient eigenlijk niet beter dan te worden gedumpt en te worden vervangen door een gaver exemplaar. Je kan je wel de haren uit het hoofd trekken. Nu vallen de schellen van je ogen. Je bent geen goede vrouw geweest voor hem. Je hebt de liefde van de man van je leven helemaal verknald.
Kleintjes en met weergaloze gevoelens van spijt sleep ik mij de ‘days after’ door het leven. Ik heb een hekel aan mezelf. Alles wat ooit zo schitterend begonnen is tussen ons, heb ik door de jaren heen laten uitdoven. Ik heb niet genoeg mijn best gedaan om hem waard te zijn. Deemoedig zal ik het huis verlaten, waar hij mij enkele dagen terug uit verdreven heeft. Een beetje als Adam en Eva die door de engel (Gabriël?) verdreven werden uit het paradijs. Ik herinner mij een tekening uit een handboek gewijde geschiedenis, uit mijn lagere school. Een rechtopstaande, toornige, blauwsatijngejurkte engel die met de vinger wijst: “Eruit”! En het zondige koppel sloft met gebogen hoofd het paradijs uit richting hel. Waar Belzebub alvast in zijn klauwtje zit te grinniken te midden van een bussel brandend hout.
Ongeveer zo voel ik mij. Zoals Adam en Eva zich moeten hebben gevoeld. Beschaamd en vernederd. Maar ’s nachts! ’s Nachts opent zich de Via Regna naar mijn onbewuste. Dromen, beweerde Freud, zijn de onvervalste verhalen uit je diepste diepte. Als je slaapt valt de censuur van je dunne laagje beschaving weg en komt pas echt aan de oppervlakte wat er in je leeft. ’s Nachts dus rest er in mij geen greintje deemoedigheid noch schuldgevoelens. Dan komt mijn ongetemdste kreng naar boven, dat zonder scrupules agendapunt één miniscieus ten uitvoer brengt.
’s Nachts zou je zijn nieuwe mens niet willen zijn!
Het gekke (of tragische) is, dàt je dit ook nog gaat geloven. Plots lijk je in je eigen ogen die bitch die hij pretendeert die jij bent. En misschien heb je wel te weinig aandacht gehad voor zijn interesses, en misschien ben je soms wel met vriendinnen op stap geweest in de plaats van thuis voor hem de boel gezellig bij elkaar te poetsen en te koken, en misschien had je meer je bewondering voor hem moeten luidop uitspreken. Allemaal dingen die zij blijkbaar wel doet en dan nog met de nodige portie lieftalligheid. Je bent zwaar in de fout gegaan. Je verdient eigenlijk niet beter dan te worden gedumpt en te worden vervangen door een gaver exemplaar. Je kan je wel de haren uit het hoofd trekken. Nu vallen de schellen van je ogen. Je bent geen goede vrouw geweest voor hem. Je hebt de liefde van de man van je leven helemaal verknald.
Kleintjes en met weergaloze gevoelens van spijt sleep ik mij de ‘days after’ door het leven. Ik heb een hekel aan mezelf. Alles wat ooit zo schitterend begonnen is tussen ons, heb ik door de jaren heen laten uitdoven. Ik heb niet genoeg mijn best gedaan om hem waard te zijn. Deemoedig zal ik het huis verlaten, waar hij mij enkele dagen terug uit verdreven heeft. Een beetje als Adam en Eva die door de engel (Gabriël?) verdreven werden uit het paradijs. Ik herinner mij een tekening uit een handboek gewijde geschiedenis, uit mijn lagere school. Een rechtopstaande, toornige, blauwsatijngejurkte engel die met de vinger wijst: “Eruit”! En het zondige koppel sloft met gebogen hoofd het paradijs uit richting hel. Waar Belzebub alvast in zijn klauwtje zit te grinniken te midden van een bussel brandend hout.
Ongeveer zo voel ik mij. Zoals Adam en Eva zich moeten hebben gevoeld. Beschaamd en vernederd. Maar ’s nachts! ’s Nachts opent zich de Via Regna naar mijn onbewuste. Dromen, beweerde Freud, zijn de onvervalste verhalen uit je diepste diepte. Als je slaapt valt de censuur van je dunne laagje beschaving weg en komt pas echt aan de oppervlakte wat er in je leeft. ’s Nachts dus rest er in mij geen greintje deemoedigheid noch schuldgevoelens. Dan komt mijn ongetemdste kreng naar boven, dat zonder scrupules agendapunt één miniscieus ten uitvoer brengt.
’s Nachts zou je zijn nieuwe mens niet willen zijn!