Ik zal maar discreet zijn, het klikte niet met the Lord, gisteren niet, nu niet, morgen niet. Geen avance, geen kriebels aan deze kant van de streep, ook niet na een jaar wachten (zie blog: "Zo je eraan komt, zo kom je er ook vanaf"). Voor elk dus een eigen kamer in onze hotelsuite, zonder pardon. Samen met het grote postpakket dat ik van ginderachter naar mezelf had opgestuurd vonden dinsdagochtend ook de zwartechocoladekussen die ik met veel smaak op de postkaartjes had gesmakt hun bestemmingen. De herinneringen komen weer naar boven.
Bij het uitchecken moest ik toch wel een paar overnachtingen uit mijn eigen zak -lees visa- betalen. Liever zo dan in natura... Met een groot gebaar overhandig ik mijn kaart: Noppes! Ze is leeg zeggen ze aan de balie. Met overtuiging en bijna slappe lach vraag ik om het nog eens opnieuw te proberen. Ik had echt wel veel geshopt in Boedapest, 3 dagen lang, maar ik was zeker van mijn zaak.
Tot groot jolijt van the Lord moest ik lief en vriendelijk in zijn ogen kijken en hem vragen of hij alstublieft zo vriendelijk zou willen zijn om mij die som voor te schieten. Hij voelde zich plots een grote heer, the Lord. De rollen keerden om. Ik moest zien thuis te komen zonder één euro op zak en was helemaal afhankelijk geworden van de goodwill van the Lord. Spontaan maakte ik me een beetje kleiner en een lachje van mededogen verdrong mijn veel te zelfzekere blik. Ik ging gedwee koffie halen voor the Lord, zelfs twee keer na elkaar zonder tegenpruttelen. Alstublieft schatje, wat wil je nog meer liefje? Hoe liever ik werd hoe leuker we het vonden, het leek wel echt! Ik begon hem complimentjes te geven, door zijn haren te strelen, zacht en teder in zijn ogen kijken, dichterbij schuiven, je ziet het zo voor je ogen gebeuren. Tot op het moment dat waarlijk de dubbelganger van de man van mijn dromen -engel Gabriël- vanuit de hemel neerdaalt en plaats neemt vlak voor ons aan een tafeltje op de luchthaven...
Hallelujah, mijn gebeden zijn verhoord. Ik kon mijn ogen niet geloven en mijn enthousiasme niet meer de baas, begon te zweven en voelde kriebels van kop tot teen. Uit het niets opduikende dubbelgevleugelde vlinders lieten mijn instinctief parasympatisch gestuurde verterings- en voortplantingssappen stromen, -je bave-. Volledig uit mijn lood vallend werd ook nog al het bloed vanuit mijn hersenen rechtstreeks naar mijn borsten gepompt. Ik ging me onschuldig voorstellen aan de dubbelganger; die had zich verraden door het stukje blinkend goud aan zijn linker ringvinger en zijn vlotte taal en tongval in het Engels en het Frans. De dubbelganger, een heel sympathieke leuke man met Italiaans, Frans en Grieks bloed, wenste ons een goede terugreis.
Aangekomen in ons thuisland wilde ik toch wel nog eens mijn visakaart uitproberen bij het betaalautomaat van de parkeergarage voor lange stalling op de luchthaven, waar de wagen van the Lord ons trouw stond op te wachten. Niet te geloven, de kaart werkte weer en de rollen keerden op slag weerom. Wie laatst lacht best lacht?
En waar zijn nu die dubbelgevleugelde dubbelgangervlinders heen? Ze zitten duidelijk tussen mijn oren.