Home
Dating voor hoger opgeleide singles
Home Facts & figures Succesverhalen Hoe werkt het?

woensdag 25 mei 2011

One Single(s) Night


"Google "Fuif Alleenstaanden", trek je stoute schoenen aan en give it a try." Zo dacht ik enkele lentes terug.

Mijn wedervaren van een avondje op zoek naar wat dansplezier. Once in a lifetime. Was echt niet voor herhaling vatbaar. 't Zal wel aan mij gelegen hebben :



Half middernacht op een vrijdag is het wanneer ik rij door één van de overvloedig aanwezige lelijke dorpen ontsproten aan ons Vlaamse lintbebouwingsconcept, mij baserend op een kaart die ik enkele uren daarvoor van een routeplanner gekopieerd naar de harde schijf in mijn kop terug kan oproepen.
Ik situeer me ergens tussen Aalst en Gent. In mijn achteruitkijkspiegel merk ik dat een zestal wagens mij volgt als ik links neem aan de lichten, waar pijlen wijzen naar dorpen, waarvan ik meen dat ze de naam nog vlug hebben uitgevonden voor ik er aan kwam. Namen, nog nooit van gehoord. Hoe zijn ze er ingodsnaam bij gekomen ? Tussen die straatbewegwijzering verschijnt de naam van mijn doel. Zo kan ik op haast automatische piloot overschakelen tot aan de veel te kleine parking met een overdosis auto’s op. Verder het blokje om dus en ik plak mijn wagen ergens langs de weg in een uithoek van een woonwijk.


Gezwind en vastberaden stap ik uit en op mijn doel af. Slechts aan één zijde van de straat staan huizen neergepoot. De overzijde toont me met duisternis gevulde weiden en boompartijtjes, waartussen ik in een vijvertje de weerspiegeling van groen neonlicht ontwaar. Aan de overzijde van die plas staat een gebouwtje dat zelfs in deze nacht de uitstraling heeft van een - vier decennia geleden toch - mooi gelegen etablissement.
De ingang belooft niet veel goeds. Waarom moeten dergelijke activiteiten georganiseerd in overmaats gedateerde uitbatingen, alsof men nogmaals wil benadrukken dat je tot een vreemde soort zou behoren. Dat soort dat nergens elders welkom is, behalve in decors uit ‘onze jonge jaren’ (wie die ‘onze’ dan ook mogen zijn). Boven de deur hangt opzichtig ‘INGANG’, een wit lichtgevend paneel. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat we heimelijk langs de achterdeur worden binnengeloodst. Onmiddellijk word ik er geconfronteerd met de sanitaire voorzieningen, een vreemd entrée. Zeker met de robuuste WC-madam, met haar al even robuste oversized boezem, neergezeten op een leistenen muurtje dat de gang afscheidt van de toegang tot de trap naar de benedenverdieping. Vermoedelijk zit ze er enkel om haar centen te incasseren, want in een oogopslag krijg ik niet het gevoel dat ze zich verder op onberispelijke wijze van haar taak kwijt.
Een armleuning in de vorm van een zware ketting leidt me over de veel te monumentale trap tot bij twee mannen waar geen ontkomen aan is die in een historisch verleden vele zgn. TD’s hebben georganiseerd. Alsof ze daar na al die jaren nu nog zitten aan hun tafeltje, als doen ze het ononderbroken sinds. De ene man achter het obligate sigarenkistje en de andere met het al even onontbeerlijke stempelkussentje. Ik bijt op mijn tanden. Bijt ze haast stuk. Iets in mij zegt dat dit niet goed af zal lopen. Dat dit geen goed idee is. Toch besluit ik het een kans te geven (ik ben nu eenmaal zo ver gekomen).
Het zou inderdaad een unieke avond worden, in een historisch decor.

Deze laatste, mentale hindernis met enige aarzeling nemend beland ik in een donkere zaal alwaar in het verleden menig koppel hun huwelijk moet bezegeld hebben met een dronkenmans bruiloft, waar de tantes met ‘ochs’ en ‘achs’ graag zullen aan deelgenomen hebben ; de nonkels pas de dansvloer opschoten na een al dan niet kleine overdosis alcohol en met dun das om hun oren gestropt.
In de ronding van de zaal staan veel te donker bruine tafels tegen de duistere muren. Ik ontwaar één bezette tafel. Verder enkele mannen met een pint of een cleane cola in de hand. Op de dansvloer twee vrouwen, swingend op een disconummer dat ergens een inventieve mix is tussen Claude François en YMCA. De verhouding tussen het aantal wagens op de parking en het aantal koppen in de zaak, wijst erop dat carpoolen hier geen optie was. Ik traverseer zo onopvallend mogelijk, toch enige zelfzekerheid uitstralend, richting bar. Tien stappen de tijd kost het me om een gaatje te zoeken alwaar ik iets kan bestellen : “Een Geuze, a.u.b..”
“Help, wat wordt hier gevraagd,” zie ik de bar-moeder denken. Ze twijfelt aan het soort glas en giet de inhoud van het flesje met een onkundig enthousiasme vlotjes uit, zodat alvast één vijfde van de inhoud verdwijnt in over de rand stromend schuim. Daar sta ik dan, nu reeds met spijt in het hart. Als een schaduw schuif ik naar de andere kant van de lange toog, alwaar ik een wat comfortabeler plaats zie om overzicht te houden op de situatie en de vertoning in me op kan nemen.

In een hoek, onder een robuuste TV, aan de rand van de open ruimte die als dansvloer fungeert en bestaat uit baksteenrode rechthoekige tegeltjes die even goed in een badkamer hadden gepast, zie ik een ruime vijftiger – vermoed ik, althans dat hoop ik voor hem, want als hij jonger is… - enthousiast de verantwoordelijkheid nemen over de muziekkeuze. Boven de swingende vrouwen hangt de typerende discobol die alle kleurtjes van de flikkerende lichten verstrooit. De twee, op wie tal van gretige ogen gericht zijn, getuigen niet echt van iets wat ik smaakvol zou benoemen. Beiden met laarzen aan, mini gejeansrokt, zodat, als zij zouden bewegen in die zin dat ik het dansen zou gaan noemen, duidelijk hun ondergoed zichtbaar zou worden – wellicht tot jolijt van de glurende omstanders. Daarboven dragen ze een topje met Wibra-allures, dat vraagt om de blikken in hun decolleté te werpen. En bovenop een haartooi van het kleur dat hier alle eer wordt aangedaan. Als ik verder rondzie, krijg ik de indruk dat de vrouwen aan de ingang een kleurbadje hebben gekregen om uniform hoogblond op het appel te verschijnen, ook al verraden hun wenkbrauwen dat hun overige lichaamsbeharing niet van dezelfde kleur is. De gemiddelde cup van het beperkt aantal wijfjes in de troep moet waarschijnlijk een D of hoger zijn.
Wanneer ik plaats neem aan het andere eind van de toog, word ik er door een al evenzeer aan de hierboven omschreven eigenschappen voldoende vrouw onmiddellijk op gewezen dat de twee vrije barkrukken toebehoren aan de heupwiegende dames in het middelpunt van de belangstelling. Ik zeg haar zich geen zorgen te maken en schuif de stoelen wat op in haar richting zo, dat ik me een perimeter van een half metertje weet te veroveren aan de toog.
Nonchalant nip ik aan mijn Geuze en neem verder al de rest in mij op als was ik bezig met een biologisch onderzoek ‘on the field’ van één of andere wetenschappelijk te bestuderen specimen. De muziek verandert eigenaardig genoeg niet van stijl en het lijkt me duidelijk dat hij niet van plan is uit een ander vaatje te tappen.
Ondertussen staan de bronstige mannetjes dermate opgesteld dat ze de verschijning van de vrouwtjes goed kunnen gadeslaan. Gewillig gaan hun ogen op en neer, soms zelfs ostentatief vingerwijzend. Ik onderscheid drie types. Opvallendst zijn de in voetbal-shirt-achtige polo’s getooide torso’s, hunkerend naar het weelderige vlees van de vrouwelijke soort. Ze proberen een onverschrokken uitstraling te creëren, daterend uit de tijd dat vrouwen inderdaad nog op zoek gingen naar de stoerste zilverrug uit de kudde. De tweede zijn would-be nerts, met hun veel te hoog opgetrokken broeken, schuchter, verzorgd en beleefd samentroepend, hopend naar dat ene avontuurtje waar ze tot op heden alleen maar weet van hebben in hun natte dromen, die ze ’s morgens in paniek niet weten te plaatsen. En tenslotte zijn er nog de nonkelfiguren die in het decor van deze gedateerde trouwfeestachtige samenkomst rondwaren. Enkelen zitten met hun rug tegen de toog aan, om niks van het spektakel te missen. Eén enkele staat al de ganse tijd op de dansvloer wanhopig toenadering te zoeken bij de swingende dames die ondertussen compagnie kregen van enkele vriendinnen die ze hier blijkbaar al meer ontmoet hebben. De ene met de sigaret, de andere met een mazoutje. Beiden iets minder uitdagend gekleed en blijkbaar was het blondeersel aan de ingang op. De veel te kleine nonkel doet zijn pasjes en draait regelmatig rond zijn as in Michael Jackson-stijl, steeds een visje smijtend, hopend die nacht beet te hebben, om zo zijn eenzaamheid te kunnen verdrinken tussen de vlezige borsten van de wijfjes.
Ik had al gevraagd of hier de ganse avond dezelfde muziek zou gedraaid worden, want dat ongevarieerd seventiesaanbod begon me toch wel tegen te steken. Diezelfde vrouw die me daarnet assertief op de stoelbezetting had gewezen, had me met dermate overtuiging geantwoord dat ik me nog een Geuze had besteld. Voor alle veiligheid deed ik teken aan de dame achter de bar dat ze me gewoon het flesje mocht geven en ik mijn zelfde glas zou gebruiken. Zo schenk ik mezelf een onberispelijke pint, zonder één druppel verlies, wanneer de platenboer het niet kan laten om de micro iets onbegrijpelijks toe te schreeuwen. Waarom moet dat soort mannen altijd per se iets willen vertellen tussen hun plaatjes door ? Waarom moeten ze altijd proberen om met hun onbegrijpelijke stem de mensen op de dansvloer te lokken, terwijl ze dat allang hadden kunnen doen, door gewoon andere tunes op de groep af te vuren ? Maar neen, steevast moeten ze zich laten horen, ook midden liedjes door, soms luid meebrullend, met de al even veel te luide muziek.

En natuurlijk moet er op zo’n avond een tegeldans op het menu staan. De mannen nemen positie in, de meeste vrouwen gaan gewillig in op de vraag. De veel te kleine nonkel druipt stilletjes af. Centraal staat daar dan zo’n bink-alike type met één van die blondines. Zijn handen liggen binnen de kortste keren op haar achterwerk geposteerd. Beiden heupwiegend op de tonen van Umberto Tozzi’s Ti Amo (alweer zo’n trouwklassieker uit de tijd van de door mij zo gehate verplichte trouwfeesten), schuiven zijn handen omhoog, haar topje net genoeg meesleurend dat hij vleselijk contact heeft met haar love-handles die over de rand van haar als rokje bestempeld stuk textiel hangen en niet moeten onder doen aan Bibendum – u weet wel, dat ventje dat een Frans bandenmerk vertegenwoordigt. Zijn andere hand gaat ongegeneerd verder omhoog tot aan de zijkant van haar borsten. Ik verwacht nu elk moment dat hij zijn hand vol op haar borsten zal leggen. Tevergeefs kijk ik uit naar haar reactie. Neen, hij kan zich nog net bedwingen en zij laat rustig gedijen. De Italiaanse slows volgen elkaar op en uit het niks zijn ondertussen wat gedistingeerder heren op het voorplan geschoven, met dito dames/tantes. Hun stijl is minder direct. De zaal is ondertussen al wat voller gelopen. Ik kan het niet langer aanschouwen en draai me om naar de barzijde.

Daar staat een koppel, kostelijk te genieten van het vermeende succes dat hun etablissement kent die avond. Met een naïeve onkunde kwijten ze zich vol enthousiasme van hun taak en zien het laatje vullen. Echt druk hebben ze het niet, alhoewel ze zelf denken van wel. Ze zijn voorzien op een overrompeling. De cola’s staan reeds klaar ontkurkt. De bierglazen voor ‘mazoutjes’ zijn reeds tot net boven de ribbeltjes gevuld met cola die al een tijdje geen prik meer uitstraalt. Onderbordjes staan reeds klaar met een koekje, suikertje en melkje en zo zullen ze ook de ganse avond klaar blijven staan. Logisch. Ik zou ook geen koffie bestellen bij het zien van het spinrag van de zoldering naar de toren kopjes bovenop de verkalkte automaat. Als ik zeker zou zijn dat het water drie maal gekookt wordt en onder hoge druk in mijn kop zou belanden, zou ik het eventueel nog durven overwegen, mocht er echt niet anders te drinken zijn.
Ik bestel mijn derde Geuze, terwijl de muziek naar de boenke-boenke van een tweetal decennia terug overschakelt. De man achter de bar neemt enthousiast mijn glas weg en met lede ogen zie ik hoe hij het ‘wast’ in de wasbak alwaar reeds de ganse avond water stroomt, denkend dat hij zodoende constant proper water bekomt. Als mijn glas zich op en neer over de schrobborstels beweegt welt er een ongezien soort schuim op uit het water, gevolgd door een wee gevoel in mijn buik. Een rilling overvalt me terwijl hij mijn glas opnieuw met bier vult, zonder het eerst te spoelen. Hoe zou hij het moeten spoelen ? Er is maar één wasbakje en het wordt niet zo frequent gebruikt. Hij wast verder wat bierglazen af en vult die meteen met cola om zijn rij mazoutglazen aan te vullen. Ik zie hoe er op de cola een schuimlaag verschijnt die maar heel langzaam wegebt in het verdere verloop van de avond. In ’t vervolg zou ik beter uit het flesje drinken, alle risico’s vermijdend.
Achter de bar is er ondertussen een derde, allesslaande vrouw verschenen. Ze heeft een fris jong gelaat. Maar haar veel te grote borsten lijken me niet gehuld in een BH, omdat er waarschijnlijk in de lokale lingeriewinkel geen dergelijke maat voor handen was. Ze hangen bovenop haar al even veel te grote buik. Dit alles gehuld in een overjarige blouse die niks aan de verbeelding overlaat. Wat later op de avond zal ze – waarschijnlijk op aangeven van de meest gedistingeerde vrouw in de zaak, de bar-moeder – boven dit alles een serveerschort aantrekken, die alles wat meer op zijn plaats weet te houden en haar wat meer vrouwelijke vormen geeft.

In de zaal is ondertussen een haast onbeschrijflijk nonkelras verschenen. Ik dacht dat ze uitgestorven waren. Een gestuikt figuur, met de typerende uitstekende buik die naadloos overloopt in de rest van zijn lichaam. Hij draagt een soort moeilijk te beschrijven tenue. Toch een poging : een wit (het oogt toch zo, omdat er boven de dansvloer tevens zo’n fluorescerende lampen hangen waar Dash jaloers op is omdat al het wit echt witter is dan wit, tot de haarschilfertjes op de schouders toe) slobberig pak of zo ; bestaande uit een broek en een overmaats hemd, beiden met een rastermotief met al dan niet dubbele blauwe strepen. Daarboven draagt hij dan een donkere trainingsvest. En tot overmaat van ramp staat er op zijn hoofd zo’n zwart lederen tirolerachtig hoedje. Help!
Het niveau lijkt me hiermee dermate gezakt dat ik het haast niet langer vol hou. Ik zie het voor me, hoe die mensen allemaal samenwonen in huisjesrijen-volle steegjes. Dat soort mensen dat ik niet ken omdat steegjes doodlopen en je er dus niet komt wanneer je er niet hoeft te zijn. Ik creëer de sfeer voor me in de veel te slecht geluidsgeïsoleerde woninkjes, waarbij een ruzie in het ene huis ten gevolge van het domino-effect, algauw ontaardt in een mediageniek gezinsdrama enkele huizen verder. Of waarbij die ene luidruchtige vrijpartij ontaardt in een lokale babyboom. En waarbij ook ’s zomers wel eens een scheve schaats wordt geschaatst omdat de blote bovenlijven van de buurman, respectievelijk -vrouw, er gewillig om vragen.
Ach, het wordt me allemaal te veel. Ik geef de platenboer nog zes liedjes de kans me op de dansvloer te krijgen, daar ik was vertrokken met zo’n zin in een gevarieerd muziekaanbod waarop ik me eens al dansend had kunnen uitleven. Wat zouden de omstanders dan wel niet over mij geschreven hebben en hun walging over mijn ongecontroleerd lijkende bewegingen uitgesproken hebben. Het mag niet zijn – gelukkig voor de groep die me onverbiddelijk als outsider zou bestempeld hebben en me uit hun kudde zou verdrijven. Zijn repertoire is die avond blijven steken bij die monotone Discobeat tunes, en slows à-la Umberto Tozzi. Dus denk ik zelf “Allez, Tottzi’ns !”
In één slok giet ik de laatste teug Geuze in mijn keelgat en verslik me er haast in. De tranen schieten me in de ogen en doen opnieuw dat verdriet van alleenzaamheid in me opborrelen. Met dat wee gevoel stap ik resoluut op de trap af, terwijl ik zie hoe het tiroler-hoedje van hoofd naar hoofd floreert, achtervolgd door zijn eigenaar, die deze aandacht, waar hij zo hunkerend naar op zoek kwam leuk lijkt te vinden. Bovenaan de trap is de WC-madam verdwenen. Een aangeschoten gast meent me te moeten kennen. Met een snelle beweging ontwijk ik hem en voor ik het weet zit ik opnieuw in mijn wagen.
Blits schiet ik door de duisternis, tussen het nachtelijk verkeer laverend en bekomend van dit ‘avonduur’. Ik kom tot de vaststelling dat mijn kleren stinken naar sigarettenrook. Ik, die me zo tegen roken profileer, verspreid nu zelf dat luchtje, dat ik probeer tevergeefs te verdrijven door tussen de lintbebouwing door met mijn ramen open te rijden. Effectloos schuif ik ze weer dicht op de snelweg en maak me snel weg.
Thuis gekomen speel ik in de met duisternis gevulde tuin mijn kleren uit en hang ze op in de zachte nachtbries, hopend dat morgen die geur en meteen die hele avond eruit zijn gewaaid.

Daar sta ik dan, naakt, omhuld door duisternis en kom nu pas tot de vaststelling dat het een heldere hemel is, waar haast meer dan anders sterren aan te ontwaren zijn. Ik had mijn avond beter gespendeerd met het ontcijferen van de sterrenbeelden rond het zenit. Wat ik dan ook nog even doe tot kippenvel me overwoekert.

geplaatst door August - 5502 keer gelezen

beoordeeld 4/5 (13 Stemmen)

Om te reageren op dit blog moet je lid van Match4me.be zijn!
Schrijf je gratis in!



<< Startpagina

Over match4me - Privacy & cookies - Algemene voorwaarden - Veelgestelde vragen - Herroeping - Contact
Veilig online winkelen met BeCommerce!

Mobiele site
Android app on Google Play iPhone app on iTunes
© Match4me.be