Home
Dating voor hoger opgeleide singles
Home Facts & figures Succesverhalen Hoe werkt het?

zondag 18 november 2012

Baron Bink

Mijn vader, bijgenaamd den Bink, was voor den eerste oorlog voerman.

Zijn baas, Fonne was boer en had een herberg en winkel.

En bovenop een bode dienst: hij bracht naar de stad wat het dorp kon leveren en bracht terug wat nodig was.

En mijn vader was voerman en reed regelmatig heen en weer met paard en kar, vijf uur ver.

Op een avond kwam hij laat terug, het liep tegen de negenen.

Hij hoorde een vreemde klik, klik, klonk van de hoefijzers op de kasseien en zag dat het paard liep te manken.

Hij stopte en hief het beest zijn poot op, het ijzer zat los.

Dat is niet iets wat ge onderweg gauw kunt oplossen, daarmee moet ge naar de smid.

Hij was nog dik twee uur van huis en zo kon hij die beest niet laten lopen, dan had hij morgen een kreupel paard.

Een beetje verder was het gedoe van Dries Schellekens, die kende hij, daar kon hij paard en kar achterlaten.

Hij reed de kar op het erf, stalde het paard en ging voort.

Blijf toch hier slapen, zei Dries. Waarom wilt ge nog zo ver gaan?

De boer zal vragen waar ik blijf en ongerust zijn. Ik moet gaan.

De boer zou niks vragen maar vloeken en ketteren, maar dat was hij gewoon.

Omdat hij alleen was, zonder kar en paard, nam hij de binnenwegen, korter door veld en bos.

Onderweg wist hij een villa staan, aan het eind van een dreef, gesloten, verwaarloost en verlaten.

Maar nu scheen er volop licht uit alle ramen en klonk muziek.

Het maakte hem nieuwsgierig en hij lief de dreef in tot op het voorplein.

Dat stond vol koetsen, netjes op een rij, en de koetsiers zaten bij elkaar en gaven flessen door.

Hij schoof langs de gevel tot achteraan en keek de keuken binnen.

Daar was grote bedrijvigheid en werden schalen in en uit gedragen.

Hij kwam dicht bij de voordeur en wou eigenlijk eens binnen kijken, maar kon dat wel in zijn boerenplunje en hij keek omlaag.

Aan zijn voeten had hij glanzende zwarte schoenen die hij wel eens de vitrine van een winkel had gezien.

Hij droeg een zwarte broek met messcherpe vouw, een gillet erboven en een hoge kraag en strik spande rond zijn hals.

Hij streek vragend met zijn hand door zijn haar en toen zat die vol pommade.

Wacht efkens, dees kan niet, dacht hij.

Maar als hij er dan toch op gekleed was kon hij evengoed binnen gaan, wie bang is krijgt er ook.

Bij de deur wachtte een lakei in goudgallon en strakke broek.

Mijnheer, wie mag ik aanmelden, vroeg die.

Hij wou zeggen: ik ben de Bink van Zoersel, maar stotterde.

Ik ben de B.. de B..

Baron ? vroeg de lakei

Juist Ja.

Baron van ?

Van Zoersel ?

En ?

Zovoort ?

De lakei keerde zich om en riep naar de zaal: “de Heer Baron van Zoersel en Zovoort.”

Hij stapte twee treden af en een man kwam op hem toe met uitgestoken hand.

Mijnheer de Baron, welkom. Ik ben de graaf Hier tot Ginderachter, uw gastheer.

Ik ben vereerd met Uw komst en blij met U kennis te maken.

Hij wenkte een lakei die langs kwam met een schaal vol glazen.

“Asjeblief,” nodigde de graaf.

Mijn vader wachtte en lette op hoe de graaf zijn glas vast nam en deed dan hetzelfde. Ze toosten.

“Mijnheer de Baron, nogmaals welkom en vermaak U”, besloot de graaf en de nieuwbakken baron stapte onwennig de zaal in.

Gelukkig had hij een keer in de opera vanop de uil de operette De Vledermuis gezien en wist hij ongeveer hoe hoge Heren en Dames zich gedragen.

Hij was nu Baron van Zoersel en Zovoort en daar moest hij zich aan houden.

De zaal baadde in licht. Er branden misschien wel vijfhonderd kaarsen in kristallen luchters hoog boven zijn hoofd.

Eén kant was helemaal spiegel en daarin zag hij een tweede gezelschap wat praatte en dronk.

Achteraan zat een strijkorkestje wat zachte muziek speelde.

Maar die zaal was veel te groot, ze paste niet in de villa, maar als hij achterom keek zag hij de deur langs waar hij binnen gekomen was.

Hij dronk Champagne wat hij nooit geproefd had en hapjes van dingen die hij niet kende.

Het feest ging voort, hij groette en werd gegroet.

Tussen een groep pratende en lachende mensen stond een jonge vrouw.

Ze droeg een lichtblauw balkleed en blonde krullen vielen tot over haar schouders.

Haar lijveke paste strak in kleed en had alles genoeg en op de juiste plaats.

Ze bewoog als een windeke in de lente en ze was schoon, zo schoon..

Mijn vader was een knappe man, recht als een kaars, donkere doordringende ogen en een huzarensnor. Niet iemand waar je langs kijkt.

En nu, als heer gekleed was hij helemaal iemand.

Het orkest speelde een galop, een polka, een mazurka en toen een wals.

Nu of nooit dacht hij, boog en vroeg haar ten dans.

Ze stond op en reikte hem haar hand.

Ik heb geaarzeld je te vragen, zei hij.

“Waarom?” vroeg ze

“Ik heb nog nooit iemand ontmoet zo schoon als gij”, bloosde hij.

“Vleier”, lachte ze.

Nee antwoordde hij, zeker niet, want vleien is een beetje liegen en dat mag niet.

“Ik ben François”, stelde hij zich voor.

Een beetje liegen mag niet ? Dikke leugenaar, François. Franciscus, Sus was hij, maar ja Baron Sus klinkt niet goed nietwaar, dus François.

“Ik ben Isabel” antwoordde ze, “de dochter van graaf Hier tot Ginderachter”.

“Aangenaam” zei hij en kuste haar hand, veel langer en intenser dan gebruikelijk is, maar wat weet een boer daarvan.

Ze legde haar hand op zijn schouder, ze dansten en praatten.

Haar stem was zacht en zoet als honing en haar ogen lachten en lonkten.

Zij vertelde van de paarden op het domein van haar vader en hij sprak van het paard met het losse ijzer wat hij achtergelaten had, maar zei er niet bij dat het een boerenknol was die een kar trok.

Zij sprak van het grote jachttornooi en hij vertelde van een rare haas die hij geschoten had. Hij vertelde er niet bij dat het toen kot in de nacht was en dat hij stroopte op het goed van de graaf.

En toen zwegen ze en dansten, dansten.

In een pauze haakte ze de rode roos los van haar corsage.

“Er ontbreekt iets aan je kleding”, zei ze.”Ik zal het afmaken”.

En ze spelde de roos op zijn kraag.

En ze dansten en hij verloor zich in haar glimlach en haar ogen, opnieuw en opnieuw en opnieuw.

Dansen maakt dorstig en champagne maakt vrolijk, maar ook de tongen en handen los.

Toen kwam een vergulde bonenstaak op hen toe.

“Ik ben de graaf van Praatjes tot Vervelenstoe”, stelde hij zich voor.

“Mijnheer de Graaf”, groette de Baron en schudde zijn kleffe hand.

Mijnheer de Baron schijnt zich goed te vermaken, met de Jonkvrouw.

Verdomme die is jaloers, dacht de bink.

Wij dansen, mijnheer de Graaf, is daar iets op tegen, zei de Baron.

Waarde Heer, de baronie van Zoersel en Zovoort is me onbekend. Wat zijn Uw antecedenten.

Lap, accidenten, wat is dat nu weer, dacht hij, maar de Baron viel op zijn pootjes.

Wat wil U weten mijnheer de Graaf, vroeg hij.

Wie zijn Uw voorouders, mijnheer de Baron.

Mijn vader is de Baron van Zoersel en Zovoort en mijn moeder de Baronnes.

Mijn grootvader was ook de baron.

Dat verzon hij ter plaatse, knap.

Hij kon moeilijk zeggen dat zijn vader boerenknecht was en zijn moeder op het kasteel had gediend.

Dat zij sinds mensenheugenis knechten waren en hij de eerste Baron.

Mijnheer, hakte de bonenstaak. Ik denk dat gij evenmin baron zijt als het gemene volk wat ons hier bediend.

De baron hield zich nog in en vroeg: “Wat geeft U dit te denken Edele Heer”.

Ik denk dat gij een boer zijt, een namaak baron, een bedrieger.

Gij danst als een boer, eet als een boer, praat als een boer.

Dat was teveel en hij viel uit zijn rol: “Hebt gij iets tegen boeren makker !!”

Rapper dan hij kon denken schoot zijn vuist uit en raakte de graaf, vol op de kin. Die ging languit neer.

Een raam stond open en met een sprong was hij buiten en vluchtte over het voorhof, langs de koetsiers, die geeneens opkeken.

De andere gasten drumden samen bij de ramen om te zien waar die beroering vandaan kwam, maar hij liep zo snel hij kon de dreef uit.

Maar helemaal achteraan stond een jonge vrouw, met tranen in de ogen.

Hij stond terug op de zandweg, alleen, niemand kwam hem achterna, en hij slofte voort, naar huis. Na goed een half uur kwam hij toch bedaren

Wees nu eerlijk Dames en Heren.

Gij zijt daar op een prachtig feest, drinkt champagne, danst met de liefste vrouw die ge ooit hebt gezien en verprutst het dan als een pasgeboren kalf.

Dan vloekt toch uzelf recht de hel in, hij ook.

Kemel, godvervloekte kemel. Een half uur geleden waart ge Baron van Zoersel en Zovoort. En wat zijt ge nu ? Den bink, boerenknecht.

Hij vervloekte zichzelf tot hij thuis kwam en de kerkklok drie uur sloeg.

De boer werd wakker van de deur en riep uit de alkoof: “Stom varken, waar hebt ge gezeten”.

“’t Paard stond mank, “antwoordde hij. “Morgen zal ik het halen” en hij klom de trap op naar zijn strozak op de zolder en zocht de slaap.

Maar in zijn hart was er nog die jonge vrouw, liever en schoner dan hij ooit gezien had en ze dansten, dansten, dansten.

’s Morgens stond de boer onderaan de trap.

“Luie hond, komt uit jouw keef”, riep die en hij deed het.

Hij zat versuft op de rand van zijn bed.

De nacht zinderde nog in zijn hoofd, wat was er gebeurd, had hij gedroomd.

Op de grond raast het bed lagen zijn hemd en werkbroek.

Een beetje verder stonden zijn grove schoenen en gestopte kousen.

Maar op de stoel hing zijn vest en in het bovenzakje zat een rode roos.

Een rode roos, de pand van liefde tussen hen, het enige van de hele nacht wat echt was.

Hij is nog dikwijls langs de villa gegaan, maar het gras bleef ongemaaid, de luiken gesloten. Nooit was er nog een feest.

Er bleef alleen de roos en die heeft hij gekoesterd en bewaart, zijn hele leven lang.

En ik heb ze geërfd.


geplaatst door Vertel - 4793 keer gelezen

beoordeeld 3.18/5 (11 Stemmen)

Om te reageren op dit blog moet je lid van Match4me.be zijn!
Schrijf je gratis in!



<< Startpagina

Over match4me - Privacy & cookies - Algemene voorwaarden - Veelgestelde vragen - Herroeping - Contact
Veilig online winkelen met BeCommerce!

Mobiele site
Android app on Google Play iPhone app on iTunes
© Match4me.be