Home
Dating voor hoger opgeleide singles
Home Facts & figures Succesverhalen Hoe werkt het?

vrijdag 23 november 2012

De slakkentemmers

Jaan Pluim was hovenier.

Niet zo maar den eerste den beste die wat doorgeschoten salaat of voze rapen kan winnen, nee. Jaan was hovenier met een hoofdletter. Heel zijnen hof lag proper in beddekes, in het gras en de haag er rond stak geen sprietje te ver en de paddekes lagen gerijfd lijk nen biljard.

Schonere prei, radijzen of spruiten vond ge nergens.

Toen hij de eerste slak vond, gooide hij ze over de haag en maakte er zich geen zorgen over. Maar ’t was of ze naar mekaars begrafenis kwamen en den dag nadien vond hij er tien.

’s Morgens waren de onderste bladeren van zijn sla afgegeten en den dag nadien stonden er enkel nog kale stengels. Toen ging het looft van de radijzen eraan en als hij ’s avond met de lantaren eens ging kijken krioelden de slaken overal tussen, op en in.

Hij pakte ze in ’t licht van de lantaren, maar toen hij dacht dat hij ze allemaal had, zat het achter zijne rug weer zo vol als tevoren. Hij zag er hem genen man op en elke morgen stond hij met de tranen in zijn ogen zijn vernielde trots te bekijken.

Hij sprak over niks anders meer dan over slakken. Iedereen had een remedie, maar geen die werkte, tot hij Panneke Pastoor aansprak.

“Ge moet eens met Peer Patternoster gaan klappen,” zei die.

“Wat kan die kwakzalver eraan doen?”vroeg Jaan, een beetje geaffronteerd.

“Die kan aardige dinges, “zei Panneke. ”Mij heeft die ook eens geholpen.”

“Van slakken?” vroeg Jaan.

“Neeë, van ’t speen,” zei Panneke.

“’t Speen, “zuchte Jaan, “ik wou dat alle slakken ’t speen kregen”. Maar hij had weinig keus en ging.

Peer woonde tegen ‘t Strabos, in een kremerskotteke. Hij was een scheel scharminkel, peerdenmeester en geitenboer. Rondom zijn kotje stonden de afdakskes en stallekes gestrooid en gestapeld of ze gezaaid waren, niet gebouwd.

Jaan liep het hele gedoe af, opende alle deuren, vond overal konijnen, geiten en katten die er schuw vandoor birsden. Na de vijfde deur had hij prijs. Peer zat binnen een grote witte geit te melken.

Hij kwam met de komplementen van Panneke Pastoor, vertelde dat hij Peer zijn vader nog gekend had en na een half uur en veel omwegen kwam hij bij de zaak.

“Slakken,”lachte Peer, “das drij keren niks. Die moet ge stoven in een panneke met een beetje sjallot en een geut bruin bier.”

“Ik kom niet om ze gereed te maken, ik wil ervan af,”schoot Jaan uit.

“O maar dat kan ook, waar moeten ze henen?” vroeg Peer. “Niet te ver, want slakken gaan traag vooruit. Veel verder dan uit awen hof kan ‘k ik die niet krijgen.”

Aan enen kant grensde Jaan aan een karspoor en een geploegd veld. Hij wist ook wel dat daarop een slak niet blijft.

Hij geloofde maar half dat Peer er iets aan zou kunnen doen en daarom zegde hij : “Stuurt ze maar door de haag, naar Sus van Kee Boer.”

“Hebde gij nen hond,?” vroeg Peer nog, “Pakt die dan vanavond binnen en als ge iets hoort moet ge niet buitenkomen. Ik werk het liefst gerust en alleen.”

Toen het donker werd liep hij nog eens met de lantaren zijn gedoen af, vond overal slijmsporen en dikgevreten bruine en grijze slakken.

Zonder veel te verwachten pakte hij toch den hond mee binnen en legde hem vast in de stal.

Lang lag hij wakker in zijn bed, hoorde elk zuchtje, hoorde de balken kraken, de koeien die met hun kettingen rammelden, maar genen Peer.

’s Morgens schoot hij haastig in zijn broek en naar buiten.

Het had gedauwd en over het paddeke langs de haag, vond hij honderden blinkende lijnen, die allemaal dezelfde richting uit gingen: naar den hof van Sus van Kee Boer.

’s Avonds in den donkere vond hij geen enkele slak meer en van verbazing grommelde hij: Gotvernonde.

Twee weken lang schoten de groenten terug ongestoord op en Jaan jubelde, hij was ervan af.

Maar op ne woensdagmorgen was de versgestekte sla terug afgegeten en ’s avond zag het eruit of de slakken nooit waren weg geweest.

Hij moest terug naar Peer. Dat is na den eerste keer dat dat gebeurt, gromde die. Zet vanavond awen hond maar vast, ik kom opnieuw.

Nu wou Jaan weten wat er gebeurde en zette zich op ’t opkamerke aan vensterke, vanwaar hij zicht had over heel den hof. Hij had moeite om wakker te blijven maar toen het efkens twaalf uur had geslagen zag hij beweging.

Heel traag, of hij aan ’t schaverdijnen was, schoof Peer met grote stappen over de pad. Hij had een emmerke bij waaruit hij af en toe een greep nam, die hij dan met fijn snuifkes uitstrooide.

Hier en daar bleef hij staan, zette het emmerke neer, zwierde met zijn armen en scheen te zingen. Na een goed halfuur verdween hij, even stil als hij gekomen was.

Den hond in de stal had niet aangeslagen, de ganzen waren niet gestoord.

Bevroren had Peer het gedoen afgekeken, schudde zijne kop in niet begrijpen en kroop achter de vrouw.

Weer twee weken bleven zijn groenten vrij van slakken. Toen waren ze terug.

Peer snapte het ook niet, maar zou nog eens komen. Als het nu nog niet help kan ik er niks meer aan doen. Dan is ’t behekst en daarvoor moet ge naar de paters gaan.

Jaan had geen zin meer om nog eens een halve nacht waker te blijven en sliep, toen midden in de nacht den hond hem wakker baste.

Buiten was een kabaal van rammelende emmers en twee mannen die scholden en riepen.

In zijn hemdslip schoot hij buiten en botste daar op de Sus die even slecht gekleed was.

Aan elke kant van de haag stond ne vent die met grote gebaren naar de ander dreigde, met een stok door de haag priemde en met een emmer zwaaide.

Aan zijne kant herkende hij Peer. Aan de kant van Sus stond het toveneerke van ’t Maaleind op en neer te springen van kwaaigheid.

“Hier zie, daar is den dader”, grolde Peer en wou door ’t poortje in den hof van Sus schieten, maar Jaan hield hem tegen.

“Dader waarvan?” vroeg hij.

Maar toen kwamen ook de twee anderen erbij. Ze hadden moeite om de twee driftkoppen uit mekaar te houden, maar stilaan werd het duidelijk.

Toen Sus zijnen hof vol slakken vond, had hij op dezelfde remedie gedacht als Jaan en het toveneerke erbij gehaald.

Die had de slakken twee keer terug gestuurd, maar toen had hij zich in hinderlaag gelegd en de andere betrapt. Elk aan enen kant van de haag hadden ze mekaar uitgescholden voor knoeier, stielbederver, valsspeler en peerdentoeker. Over de haag heen hadden ze mekaar met de emmer op de kop geslagen. De ene had een gekloven wenkbrauw en de ander twee bulten, een noot groot en heel zijn gezicht geschramd.

Elk heeft er ene mee binnengehaald, het bloed afgewassen en een borrel gegeven. Zonder een woord zijn ze doorgegaan, elk naar zijne kant.

Peer en Sus zijn ’s morgens overeen gekomen voortaan elk zijn eigen slakken te vangen en na enige tijd is het hun gelukt.

Als ze samen in ’t café zitten lachen ze nog dikwijls om die roerige nacht, toen ze allebei in hun hemdslip op hun hof stonden, om twee leeuwen uit mekaar te halen, die eigenlijk slakkentemmers waren.


geplaatst door Vertel - 4952 keer gelezen

beoordeeld 2.55/5 (11 Stemmen)

Om te reageren op dit blog moet je lid van Match4me.be zijn!
Schrijf je gratis in!



<< Startpagina

Over match4me - Privacy & cookies - Algemene voorwaarden - Veelgestelde vragen - Herroeping - Contact
Veilig online winkelen met BeCommerce!

Mobiele site
Android app on Google Play iPhone app on iTunes
© Match4me.be