Home
Dating voor hoger opgeleide singles
Home Facts & figures Succesverhalen Hoe werkt het?

zondag 23 december 2012

ZONDAG PO╦ZIEDAG 3

Zondag Poëziedag, Lieve lezer deze keer niet. We naderen Kerstmis en ik heb geen kerstgedicht, mijn excuses.Dus wordt het een kerstverhaal.
Weet dat dit een vertel-verhaal is.

Dus veel hoorgenot.

 

 

DE KERSTMIS VAN ZATTE SOOI

‘t Was nacht in ‘t dorp, kerstnacht.

De staten lagen leeg onder de witte maan die af en toe dievelings tussen de wolken kwam piepen. Midden in ‘t dorp lag het pleintje, afgezoomd met een gracht en oude bomen. Daar hadden vriendelijk handen een kerststal gebouwd, met balkskes recht uit het bos en scheef gelijk ze gewassen waren, lemen muurkes en een strooien dak.Binnen stonden plaasteren beelden, levensgroot. Er waren Jozef en Maria in boerenkleren en een Kindeke Jezus met blote beentjes. Nen ouden herder stond naast een speelgoed schaapke en in het stro lagen nen hollen ezel en nen afgebladerden os.Er hing en lag ook nog wat getuig, om het echt te maken.De beelden waren oud en versleten en de rest was niet beter. ‘t Was alles bijeen maar een armzalig doeningske en dat was het enige wat er echt aan was.

De nachtmis was al een tijdje uit en iedereen was allang terug thuis bij de stoof of in zijn bed. Iedereen behalve Zatte Sooi, die was uit zijn laatste café buitengezet en liep nu met zijne kop vol genever en op kartonnen knieën. Sooi was zeker genen kerkganger, daarvOOr was hij altijd te laat of de mis te vroeg, maar aan het stalleke maakte hij elken avond zijne stop en prevelde stillekes iets wat op een schietgebedje kon trekken.

Maar deze keer wilden zijn knieën niet meer, hij moest eventjes gaan zitten en schuifelde het stalleke binnen. Hij liep bekanst den herder omver en moest drie keren aanleggen om over het schaapke te kunnen stappen. Heel voorzichtig toch trok hij de mantel van Onze Lieve Vrouwke in de juiste plooi en pakte efkens zijn klak af.Schuif eens op maat zei hij tegen de plaasteren os en zette zich er nevens, op het stro.

Buiten was het beginnen te sneeuwen, eerst klein en fijne vlokskes, maar allengs werden ze dikker tot ze als witte kiekenpluimen omlaag zwevend al het werk van mensen onder dekten. Het dorp, de hagen, de huizen en stallen verdwenen, werden verre heuvels rond het dal waarin het stalletje lag. En in het stalleke zat Sooi, niets verwachtend en wachtend op niets, wat toch gebeurde.

Den os bewoog zijn plaasteren oor en langs de rug van den ezel liep een reieling.Het speelgoedschaapke strekte zijn voorpoten, blaatte efkens en van buiten kwam zutekes antwoord.Van achter den hoek kwam een ander schaapke loeren en nen hond met een ruige, besneeuwde pels. Die stond pardoes midden in het scheef gat van ‘t poortje en keek met verbaasde ogen naar het tafereel in ‘t stalleke. Toen kwam de herder binnen, zette zijnen hoed af en schoof zonder een woord aan de kant. Nog meer schaapkes kwamen achterna en vulden de stal met hun warme reuk en zacht geblaat. Maria stak een arm uit en trok het dekentje over het kindje recht. Jozef bukte zich een beetje om bij te lichten.

Sooi trok zijn benen in om plaats te maken, zonder verbazing of zich iets af te vragen. Hij kende toch het kerstverhaal en wist dat de herders zouden komen.

Toen zag hij het schouwke in den achtermuur van ‘t stalleke. Er nevens lag nen mutsert en een stapeltje grof hout. “Kiekens” zei hij in zijn eigen, “dat zit hier in de kou met alle gerief bij de hand” en hij schoof naar achter, het donker in. Met zijn voeten veegde hij het losliggend strooisel uit de weg en bouwde een schoon torenke van stro, fijn takskens en dikker hout. De vlammekes likten omhoog en verfden de stal in flikkerend rood en geel. Hij was enigen tijd bezig met het vuur op te bouwen en hout klaar te leggen.

Toen hij zich terug omdraaide had den herder het poortje gesloten en zat nu op de baal stro, stillekes te praten met de andere. ‘t Ezeltje was recht gestaan en trok grote beten hooi uit de ruif. Jozef en Maria waren ook achteruit geschoven, binnen de kring van warmte en licht. Ze legde het kindeke juist terug en het schopte met twee beentjes tegelijk dat het kribbeke ervan wiebelde en kraakte. Jozef stond ongemakkelijk met nen doek te draaien. “Geef maar hier” zei Sooi en stak zijn hand uit. Ne verstandigen mens heeft altijd een koord op zak. Die spande hij tussen twee balken nevens het vuur en daarop hing hij den doek te drogen.

Ondertussen was er een oud vrouwke binnen gekomen met een mand verrimpelde appeltjes en een koppel kindekes. Die zaten gehurkt bij ‘t kribbeke en ‘t kindeke lachte en greep naar hun vingerkes. De appels werden rond gedeeld en hij kreeg ook ene. Hij had liever een borrel gehad maar pakte hem aan uit beleeftheid en stak hem in zijn zak.

Ze praten zachtjes met mekaar, hun stemmen werden gedempt door ‘t stro en klonken niet harder dan ‘t knetteren van het vuurke in den haard. Hij verstond niet wat er gezegd werd, maar hij hoorde de zorg in de stem van Jozef, de bewondering van de herders en de vriendelijkheid van Maria.

Zijn hart ging open gelijk een bloem in de zon en stillekes in zijn hoekske naast het vuur liet hij dien hemelsen dauw naar binnen sijpelen. Zo zat hij daar een dag, een maand, een uur en versmolt met de herders, werd een van hen in dankbaarheid voor wat hen overkwam, de zaligheid van de geest in de stal, de grootheid van Gods Zoon in een pasgeboren kind.

De stemmen werden langzaam wazig en de gezichten vervaagden terwijl het vuurke uitbrandde en de duisternis weer binnen sloop.

Met veel moeite kreeg hij zijn zinnen terug bijeen. Zijne kop was scheef weggezakt. Zijn klak hing over zijn ogen en zijne nek was verkrampt en stijf van de kou. Zijnen arm was helemaal voos en tintelde als hij hem bewoog en wreef om er terug leven in te krijgen. In ‘t stalleke was het schemerdonker, ‘t poortje was dicht en enkel door de spleten kwam een beetje dun licht. Sooi stond met moeite op, probeerde buiten te geraken maar viel over nen mutsert en nen ouden emmer rolde rammelend een eindje verder. Sst zei hij tegen zijn eigen en loerde door een spleet. Op straat was nog niemand te zien en de ramen en deuren waren lege gaten in de gevels. Hij had moeite om het poortje open te krijgen want de sneeuw was er tegen omhoog gewaaid. Die lag nog gelijk hij gevallen was, er was niemand door gelopen, of toch? Waren dat schapenpootjes daar onder die verse laag ? Had daar aan de kant nen hond gelopen en was er verder nen wirwar van kleine en grote klompen?

“Sooi, onnozele zatlap,”schold hij op zijn eigen. “Ge geraakt van zattigheid niet meer thuis, slaap buiten in een stalleke en denkt dan dat er een mirakel gebeurt. Ga nevens den os staan, ge zijt er familie van, duf konijn.” Hij stond zichzelf daar uit te schelden, zijn voze zinnen bijeen te rapen, maar hij kreeg het niet uit zijne kop.

Het was genen droom, het was allemaal te echt. Hij herinnerde alles nog, de reuk van de schapen, de vriendelijkheid van Maria, de kameraadschap die hij voelde voor de herders, de goedheid van Jozef. Dat mocht genen droom zijn want die vergaan. Hij wou dit bij houden, het was te schoon.

Maar, in het stalleke was geen schouw, een vuurke kon er nooit gebrand hebben en toch, in zijn kleren hing de rest van rook. “Mijn koord,” dacht hij en schoot terug naar binnen. Daar achteraan in ‘t stalleke hing inderdaad nen doek over een koord tussen de balken, maar die kon er al lang hangen. De afdrukken in de sneeuw waren moeilijk te zien, oversneeuwd en weggevaagd.

Hij voelde zijn hart leeglopen en twijfel en spijt kroop naar binnen. Hij krabde onder zijn klak in zijn dunne haar en de wereld werd ineens leeg en koud.

Maar toen voelde hij dien bobbel in zijne zak. In zijn haast trok hij er de voering mee uit, scheurde de nagel van zijne pink maar op laatst hield hij het voor zijn ogen. Heel zijn geluk lag in zijn open hand: een klein verrimpeld appeltje.

“‘t Is waar, ‘t is waar, ‘t is toch” waar riep hij en van puur geluk schoot heel zijn vel in kiekenvlees. Hij reielde van kop tot teen en de tranen schoten in zijn ogen. “Papjonk “ zei hij tegen zijn eigen, snoot zijne neus twee keren en moest met zijn grove mouw wel vier keren zijn ogen afdrogen.

Aan den andere kant van ‘t pleintje stak de koster over en ineens schoot een klok in gang en rammelde het dorp wakker. Sooi ging de kerk binnen en van onder den toren hoorde hij ‘t eerste miske, dunnekes gelezen door ne pastoor die voor weinig mensen uit zijn warme bed was gemoeten.

Hij heeft zijn leven niet veranderd en heet nog altijd Zatte Sooi. Misschien drinkt hij nu wat minder, maar oude gewoontes zijn moeilijk af te leren en van nen kwaje naam geraakt ge ook slecht af. Maar de verwondering, de warmte rond zijn hart ging nooit meer weg en niemand heeft hem ooit nog horen vloeken of slechte praat vertellen.

Elke kerstavond trekt hij nen oude lange frak aan en zet nen vuilgroenen hoed op. Dien avond staat er in de stal nen herder meer, nen echte tussen de stenen. Hij klapt met den ezel, zit op ‘t stro nevens den os en streelt zijnen grote brave kop. Hij lacht tegen het Kindeke en doet voor ‘t plaasteren Lieve Vrouwke zijnen hoed af. Ze worden nooit meer levend en dat verwacht hij ook niet, want die ene wonderbare nacht beleeft hij elke kerstnacht opnieuw, hij alleen.

Er zijn er die hem nu Zotte Sooi noemen, maar dat kan hem niet schelen, want wie eens den hemel gezien heeft, kan de wereld nooit meer raken.

 


geplaatst door Vertel - 4634 keer gelezen

beoordeeld 3.83/5 (6 Stemmen)

Om te reageren op dit blog moet je lid van Match4me.be zijn!
Schrijf je gratis in!



<< Startpagina

Over match4me - Privacy & cookies - Algemene voorwaarden - Veelgestelde vragen - Herroeping - Contact
Veilig online winkelen met BeCommerce!

Mobiele site
Android app on Google Play iPhone app on iTunes
© Match4me.be